Skip to content

Chapters

Works

Sections

See Engelse vertaling uit 1885

Hoofdstuk 101: Christus schrijft alle dingen aan de Vader toe

HET VOLGENDE GEDEELTE VAN DE PSALM IS DIT: waar Hij zegt: 'Onze vaderen vertrouwden op U; zij vertrouwden en U verloste hen. Zij riepen tot U en werden niet teleurgesteld. Maar ik ben een worm en geen man; een smaad van mensen en veracht door het volk.' Hieruit blijkt dat Hij hen erkent als Zijn vaderen, die op God vertrouwden en door Hem gered werden, en die ook de voorouders waren van de Maagd, door wie Hij geboren werd en mens werd. Hij voorspelt dat Hij door dezelfde God gered zal worden, maar beroemt zich er niet op iets door Zijn eigen wil of kracht te hebben bereikt. Want toen Hij op aarde was, handelde Hij op dezelfde manier en antwoordde op iemand die Hem aansprak met 'Goede Meester:' 'Waarom noemt u mij goed? Eén is goed, mijn Vader die in de hemel is.' Maar als Hij zegt: 'Ik ben een worm en geen mens, een smaad van de mensen en veracht door de mensen,' profeteert Hij de dingen die werkelijk bestaan en Hem overkomen. Want wij die in Hem geloven, zijn overal een smaad, 'door het volk veracht', want verworpen en onteerd door jullie volk, onderging Hij de vernederingen die jullie tegen Hem beraamden. En het volgende: 'Allen die mij zien, lachen mij uit; zij spreken met de lippen, zij schudden het hoofd': Hij vertrouwde op de Heer, laat Hem hem verlossen, want hij verlangt naar Hem', ook dit voorspelde Hij dat Hem zou overkomen. Want zij die Hem gekruisigd zagen, schudden stuk voor stuk hun hoofd, tuitten hun lippen en draaiden hun neuzen naar elkaar toe en bespotten Hem met de woorden die in de memoires van Zijn apostelen staan opgetekend: 'Hij zei dat Hij de Zoon van God was; laat Hem naar beneden komen; laat God Hem redden.'

Works

Sections