Skip to content

Chapters

Works

Sections

See Engelse vertaling uit 1885

Hoofdstuk 62: De zin "Laat ons de mensheid scheppen" komt overeen met de leer van Spreuken.

DEZELFDE BOODSCHAP: mijn vrienden, werd uitgedrukt door het woord van God dat door Mozes werd geschreven. Het laat ons zien dat God in de schepping van de mens met dezelfde intentie spreekt, als volgt: 'Laat Ons de mens maken naar Ons beeld en gelijkenis. En laat hem heersen over de vissen van de zee, de vogels van de hemel, het vee, de hele aarde en al het kruipend gedierte op de aarde. En God schiep de mens: Hij schiep hem naar het beeld van God; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen. En God zegende hen en zei: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u, vult de aarde en heerst erover.

Dus als je de betekenis van de geciteerde woorden niet verandert of herhaalt wat jouw leraren beweren - dat God tegen zichzelf zei: 'Laat ons maken,' net zoals wij vaak tegen onszelf zeggen als we iets van plan zijn: 'Laat ons maken,' of dat God tegen de elementen, zoals de aarde en andere waarvan wij geloven dat de mens eruit gemaakt is, sprak met 'Laat ons maken,'- zal ik opnieuw de woorden van Mozes zelf citeren. Ze laten duidelijk zien dat [God] met iemand sprak die van Zichzelf verschilde en ook een rationeel Wezen was. Dit zijn de woorden: 'En God zeide: Zie, Adam is geworden als een onzer, kennende goed en kwaad.' Door te zeggen 'als een van ons', verklaarde [Mozes] dat er een aantal personen met elkaar verbonden zijn, en dat het er minstens twee zijn.

Ik beweer niet dat het geloof van de ketterij onder jullie waar is, noch dat haar leermeesters kunnen bewijzen dat [God] tot engelen sprak of dat engelen mensen maakten. Dit nageslacht, waarlijk voortgebracht uit de Vader, was bij de Vader vóór alle schepselen, en de Vader sprak met Hem. De Schrift door middel van Salomo maakt duidelijk dat Hij die Salomo Wijsheid noemt, als Begin verwekt was vóór al Zijn schepselen en als Nageslacht door God. Dit wordt ook bevestigd in de openbaring van Jozua, de zoon van Nun. Overweeg het volgende uit het boek Jozua om je dit duidelijk te maken; het is dit: 'Toen Jozua in de buurt van Jericho was, keek hij op en zag een man tegenover hem staan. Jozua naderde hem en vroeg: Bent u voor ons of voor onze tegenstanders? Hij zei tegen hem: Ik ben de aanvoerder van het leger van de Heer; nu ben ik gekomen. En Jozua viel op zijn aangezicht op de grond en zei: Heer, wat beveelt u uw dienaar? De aanvoerder van de Heer zei tegen Jozua: Doe je schoenen uit, want de plaats waar je staat is heilige grond. Jericho was beveiligd en versterkt, en niemand ging er uit. En de Heer zei tegen Jozua: Zie, Ik geef Jericho in jouw hand, met zijn koning en machtige mannen.'

Works

Sections