Skip to content

Chapters

Works

Sections

See Engelse vertaling uit 1885

Hoofdstuk 25: De lege trots van de Joden om afstammelingen van Abraham te zijn

ZIJ DIE ZICHZELF RECHTVAARDIGEN EN BEWEREN ZONEN VAN ABRAHAM TE ZIJN: zullen er naar verlangen, zelfs in kleine mate, om samen met jou de erfenis te ontvangen. Zoals de Heilige Geest, door de mond van Jesaja, uitroept, hen uitbeeldend: 'Keer terug uit de hemel en kijk vanuit de plaats van Uw heiligheid en heerlijkheid. Waar is Uw ijver en kracht? Waar is de overvloed van Uw barmhartigheid? Want U hebt ons onderhouden, Heer. Want U bent onze Vader, want Abraham kent ons niet en Israël heeft ons niet herkend. Maar U, o Heer, bent onze Vader; verlos ons, want Uw naam is van het begin af aan over ons geweest. O Heer, waarom hebt U ons van Uw weg doen afdwalen en ons hart verhard, zodat wij U niet vrezen? Keer terug omwille van Uw dienaren, de stammen van Uw erfdeel, opdat wij voor een korte tijd Uw heilige berg beërven. Wij waren als in den beginne, toen Gij niet over ons regeerde, en toen Uw Naam niet over ons werd aangeroepen. Als U de hemelen zou openen, zou beven de bergen voor Uw aangezicht aangrijpen; en zij zouden smelten, zoals was smelt voor het vuur; en vuur zou de tegenstanders verteren, en Uw naam zou getoond worden onder de tegenstanders; de volken zouden in wanorde geworpen worden voor Uw aangezicht. Wanneer U grootse dingen doet, zullen de bergen voor Uw aangezicht beven. Vanaf het begin hebben wij geen God naast U gehoord, noch hebben onze ogen een God naast U gezien, en Uw werken, de barmhartigheid die U betoont aan hen die berouw tonen. U zult hen ontmoeten die rechtvaardig handelen, en zij zullen zich Uw wegen herinneren. Zie, U bent boos, en wij hebben gezondigd. Daarom zijn wij afgedwaald en helemaal onrein geworden, en al onze gerechtigheid is als de vodden van een apart gezette vrouw; en wij zijn verdord als bladeren vanwege onze ongerechtigheden, en de wind zal ons wegvoeren. En er is niemand die Uw Naam aanroept of zich herinnert U aan te grijpen, want U hebt Uw aangezicht van ons afgewend en ons overgegeven vanwege onze zonden. En keer nu terug, o Heer, want wij zijn allen Uw volk. De stad van Uw heiligheid is verlaten geworden. Sion is als een woestijn geworden, Jeruzalem een vloek; het huis, onze heiligheid, en de heerlijkheid die onze vaderen gezegend hebben, is met vuur verbrand; en al de heerlijke naties zijn mee gevallen. En naast deze tegenspoed, o Heer, hebt U U ingehouden, gezwegen en ons zeer vernederd.'

EN TRYPHO VROEG: "Wat zegt u? Dat niemand van ons iets zal erven op Gods heilige berg?"

Works

Sections