Skip to content

Chapters

Works

Sections

Hoofdstuk 2:- De eenheid van de drie goddelijke figuren.

Er is dan één God en Vader, en niet twee of drie; één die is; en er is geen ander naast Hem, de enige ware God. Want "de Heer uw God", zegt [de Schrift], "is één Heer." En nogmaals: "Heeft niet één God ons geschapen? Hebben wij niet allen één Vader? En er is ook één Zoon, God het Woord. Want "de eniggeboren Zoon", zegt [de Schrift], "die in de schoot van de Vader is." En nogmaals: "Eén Heer Jezus Christus." En op een andere plaats: "Wat is Zijn naam, of wat de naam van Zijn Zoon, opdat wij het weten?" En er is ook één Parakleet. Want "er is ook," zegt [de Schrift], "één Geest," aangezien "wij geroepen zijn in één hoop van onze roeping." En nogmaals: "Wij hebben gedronken van één Geest", met wat volgt. En het is duidelijk dat al deze gaven [die gelovigen bezitten] "door één en dezelfde Geest gewerkt worden." Er zijn dus niet drie Vaders, of drie Zonen, of drie Paraketen, maar één Vader, en één Zoon, en één Parakleet. Daarom ook beval de Heer, toen Hij de apostelen uitzond om alle volken tot discipelen te maken, hen te "dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest", niet in één [persoon] die drie namen heeft, noch in drie [personen] die vleesgeworden zijn, maar in drie die gelijke eer bezitten.

Works

Sections