Skip to content

Chapters

Works

Sections

Hoofdstuk 6: Vervolg.

HIJ IS NIET SLECHTS EEN MENS: door wie en in wie alle dingen zijn gemaakt, want "alle dingen zijn door Hem gemaakt". "Toen Hij de hemel maakte, was ik bij Hem; en ik was daar met Hem, vormde de wereld samen met Hem, en Hij verheugde zich dagelijks in mij." Hoe kunnen zulke woorden tot een mens gesproken worden: "Zit aan Mijn rechterhand?" En hoe kon iemand beweren: "Voordat Abraham was, was Ik?" En: "Verheerlijk Mij met de heerlijkheid die Ik had voordat de wereld bestond?" Welke mens zou ooit kunnen zeggen: "Ik ben uit de hemel neergedaald, niet om Mijn eigen wil te doen, maar de wil van Hem die Mij gezonden heeft?" En van welke mens zou gezegd kunnen worden: "Hij was het ware Licht, dat licht geeft aan ieder die in de wereld komt: Hij was in de wereld en de wereld is door Hem gemaakt, en toch heeft de wereld Hem niet herkend. Hij kwam tot de Zijnen en de Zijnen ontvingen Hem niet?" Hoe kon Hij slechts een mens zijn, die het begin van zijn bestaan aan Maria ontleende, en niet veeleer God het Woord en de eniggeboren Zoon? Want "in den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God." En elders: "De Heer heeft Mij geschapen, het begin van Zijn wegen, voor Zijn werken. Vóór de wereld heeft Hij Mij opgericht en vóór alle heuvelen heeft Hij Mij verwekt."

Works

Sections